Het was op een Tweede Pinksterdag, dat op de Cartesiusweg in Utrecht een 18-jarige automobilist verongelukte. Drie dagen later meldde een landelijke krant, dat uitgebreid sporenonderzoek van de recherche niet tot een sluitende reconstructie van de zaak had geleid. Een reconstructie, die moest vaststellen of de aanrijding een tragisch maar eenzijdig gebeuren was, of dat er wellicht anderen op strafbare wijze bij betrokken waren. Men vestigde de hoop op getuigen van het fatale ongeval. Niet tot mijn vreugde meldde ik mij (opnieuw) bij de politie. Op die zonovergoten maandagmiddag in mei was voor mijn zoon en mij het verschil tussen medeslachtofferschap en getuige namelijk angstig klein gebleken. Tussen de plaats waar de auto tegen het hekwerk knalde en de plek waar wij op dat moment fietsten, zat amper twintig meter. Wat begon als een fietstochtje vol lentewarmte, prietpraat en ijsjes, eindigde trillerig in gemijmer over jonge bestuurders die eigenlijk nog kinderen zijn, en over dat kinderen niet dood mogen gaan. Over de waarde van het leven, over het bestaan.

 

Ik was dus getuige. Ik moest kunnen vertellen wat ik had gehoord en gezien, de beelden die op mijn netvlies gebrand stonden, de herinneringen die ook de weken daarna zo onbedwingbaar mijn bewustzijn en mijn concentratie verstoorden. Geluiden van racende en slippende auto’s, van metaal over asfalt, van versplinterend glas en van Arabische muziek uit een autoradio die de klap wél overleefde. Beelden van een verkreukelde Renault Clio, van een zwaargewonde bestuurder, van mijn geschokte maar dappere zoon. Zou ik een betrouwbare getuige zijn? De Franse filosoof René Descartes, die in de 17e eeuw zijn belangrijkste werken in Nederland schreef en die wordt beschouwd als een van de belangrijkste filosofen uit de wereldgeschiedenis, zou er waarschijnlijk weinig vertrouwen in hebben. In zijn beschouwingen dacht hij na over de subjectiviteit van de menselijke waarneming. Hij meende dat de werkelijkheid, de objectiviteit, maar moeizaam is vast te stellen, eenvoudig omdat de menselijke waarneming in de regel onbetrouwbaar is. Zo onbetrouwbaar volgens Descartes, dat in beginsel aan de menselijke beschrijving van de werkelijkheid moet worden getwijfeld. En wat betwijfeld kan worden, moet worden afgewezen. Bewijsvoering mag alleen plaatsvinden met onbetwijfelbare gegevens. Zo beschouwt zou mijn getuigeverklaring mogelijk niet veel kunnen bijdragen aan de vaststelling van wat er was gebeurd, laat staan aan bewijs van een mogelijk strafbaar feit. Maar dat moesten de politie en het O.M. maar beoordelen.

 

Op de weg terug naar huis was het gesprek verstomd en waren de gedachten ingetogen. Wat houdt het bestaan eigenlijk in? Hoe, wanneer leven wij eigenlijk? Ook daarover filosofeerde Descartes. “Ik denk, dus ik besta” concludeerde hij, schijnbaar simpel. Maar hoe verheven zijn filosofische gedachten ook waren, ook in de 17e eeuw was men gevoelig voor aandacht en imago. Om een internationaal publiek te bereiken en respect af te dwingen, werden teksten vertaald in het Latijn. Dus herschreef Descartes zijn wijsheid: “Cogito ergo sum”. En om als auteur status te krijgen, koos hij ook een passende Latijnse naam: Cartesius.