De hemel zakt over het betonnen bouwsel als een immense, natte, grijze deken. In de plas, waarin de advocaat juist vanuit de auto zijn schoen neerzette, tekenen zich onafgebroken kringetjes van miezerige regen af. Achter hem, waar het pad naar de executieplaats begint, is de schemer al begonnen. Water sijpelt zijn sok in. Vught in december. Op het terrein van het voormalige “SS Konzentrationslager Herzogenbusch”, waar in 1943-1944 ruim 31.000 Joden, Jehova’s Getuigen en andere vijanden van het Derde Rijk wachtten op transport naar de dood, komt hij een gevangene bezoeken. De verdachte is volgens het Openbaar Ministerie ronselaar voor de jihad. Geen bewijzen, wel veel aannames en suggesties in het dossier. Dat leest dan ook als een slecht filmscript, als een verhaal dat maar niet op gang komt, sombert de advocaat, terwijl hij op de stalen poort toeloopt.

 

Binnen is er gelukkig werk aan de winkel. Hij zit al met de stukken klaar als aan de andere kant van het glas Nasat C. wordt binnengebracht. Met zijn baard, djellaba en slippers voldoet hij oppervlakkig aan het stereotype beeld van de orthodoxe Islamiet. Als hij zijn raadsman met een verlegen lach herkent en met een hand op zijn hart begroet, bedenkt deze dat zijn cliënt de casting van zijn eigen film waarschijnlijk niet eens zou doorstaan. Te vriendelijk, geen charisma, vaak weifelend, hakkelend met zijn woorden. De advocaat drukt zijn hand even op het glas, als vervangende handdruk. De cliënt ook. Ze praten over de strafzaak. De cliënt worstelt een beetje met de taal, maar zijn vragen, twijfels en antwoorden zijn oprecht. Na een uur zijn ze klaar en bergt de advocaat de papieren weg. Hij vraagt zijn cliënt nogmaals hoe het met hem gaat. Hoe hij het volhoudt om als terrorist te worden beschouwd, als aanhanger van Osama. “Het is toch allemaal onzin”, verzucht de cliënt zachtjes. “Ik ben tegen geweld, tegen de strijd met wapens. Het is mijn doel om een goede moslim te zijn door als een goede moslim te leven. Ik hou mij aan de gebeden en aan de voedselregels en ik bestudeer de Islam. Ik ben niet deskundig, maar ik doe mijn best. En ik wil graag trouwen en een gezin bouwen. Dat zijn mijn plannen. Ik vertrouw op Allah”. Goed, zegt de advocaat, maar neem mij nou. U hebt mij als advocaat gekozen, maar u weet dat ik geen moslim ben. Sterker nog, ik zit straks in de kerk. Vier kerstmis. Waarom vertrouwt u mij? Zijn glimlach verbreedt. “Mijnheer advocaat, ik heb u na onze eerste zaak in Rotterdam uitgenodigd toch? Ik heb een maaltijd voor u bereid en wij hebben samen gegeten. Weet u waarom? Dat gaf mij vreugde. U hebt mij opgezocht en met mij gesproken, en mij geholpen. Waarom zou ik geen dankbaarheid tonen? Gastvrijheid is een plicht van iedere moslim. En die geldt voor iedereen. Als ik weer vrijkom, nodig ik u weer uit”.

 

Als hij weer buiten staat, kijkt de advocaat omhoog. Een lucht met honderd schakeringen grijs. Nu zou het moeten sneeuwen, denkt hij, maar het regent nog steeds. Regen van de ergste soort. Die je uit je evenwicht brengt. Naast zijn autoportier ligt de plas er nog steeds. Evenwicht, daar gaat het om bij problemen, weet hij ineens. Evenwicht en aanpassing. Hij voelt de ene koude, natte sok weer. Het duurt drie seconden voordat het water ook de andere heeft bereikt.