“Ik kom voor mijn cliënte, mevrouw Schaafsma” meldde ik de psychiatrisch verpleegkundige van de ‘gesloten afdeling’. Hoe het nu met haar ging, vroeg ik. Zijn antwoord kwam weifelend. “Het gaat wel beter”. Mooi, dacht ik nog. Maar ja, slechter dan de week ervoor kon ook haast niet. Toen trof ik mijn vijftigjarige cliënte voorovergebogen in een rolstoel, de ogen vrijwel gesloten en amper te verstaan. Ik had bij de behandelende psychiater om opheldering gevraagd. “Dat kan komen door de medicatie. Mevrouw is nogal stevig gesedeerd, omdat zij al drie dagen en nachten achtereen wakker was geweest”. Ik begreep het, platgespoten dus. Ik zou een paar dagen later terugkomen.

 

En daar was ik dan. Over een uur zou de rechter er zijn om te beslissen of de gedwongen opname van mevrouw Schaafsma met een half jaar moest worden verlengd. “Neemt u even een kop koffie, dan meld ik mevrouw dat u er bent” zei de verpleegkundige. Een paar minuten later was hij terug. “Mevrouw is net wakker en wil zich even wassen en opmaken”. Ik installeerde mij in het verpleegkantoor en pakte de aantekeningen van mijn eerste bespreking met haar. Dat was nog in haar eigen huisje geweest, waar zij had willen blijven wonen. “Maar het mag niet van de dokter” had zij verzucht. Meewarig had zij om zich heen gekeken alsof zij, zoals ik, haar gedateerde inrichting voor het eerst opnam. Haar blik bleef rusten op een schilderij met een romantische impressie van een indianenstam in ongekolonialiseerd Amerika. Even waande ik mij op visite bij wijlen mijn oma, maar die zou nooit hebben berust in de overvloedige tabaksresten, die werkelijk overal lagen. Ik had mij toen nog verbaasd afgevraagd of dit voldoende was voor opneming. De geneeskundige verklaring die in het dossier zat, sprak van religieuze waandenkbeelden en ontremming. Ik vroeg mevrouw Schaafsma of zij in God geloofde. Alsof er een toverformule was uitgesproken veerde zij op, liep naar de deur en spreidde armen en benen tegen de deurposten. “Zo word ik iedere dag gekruisigd” riep zij uit. “Dat moet van het grote opperhoofd, een kwartier lang, want ik moet boeten voor mijn zonden!” Ik had haar begrijpend toegeknikt en geprobeerd het gesprek weer in rustiger vaarwater te krijgen. Dat was niet helemaal gelukt. Sindsdien had ik haar nog één keer gezien, vorige week dus.

 

De rechter diende zich aan en ik liep met de verpleegkundige mee om mijn cliënte op te halen. Zij stapte net haar kamer uit. “Hoe vindt u dat ik eruit zie, mijnheer de advocaat?” Ik knipperde met de ogen. Tientallen felgekleurde strepen make-up liepen over haar gezicht, een pijp stak uit een mondhoek. “U hebt er wel werk van gemaakt” hakkelde ik zo neutraal mogelijk. Zelfverzekerd liep zij de kamer in waar de rechter wachtte. Ook hij herstelde zich bewonderenswaardig en schudde mevrouw Schaafsma beleefd de hand. “Mijn naam is Winnetou en ik kom hier voor maar één ding en dat is vrede” klonk het beslist uit haar mond. Wij werden het gauw eens.