“Je ne parle pas Francais trés bien”. Het kwam er vloeiend en voor mijn gevoel accentloos uit. Het was dus best jammer dat mijn vlotte uitspraak niet correspondeerde met de boodschap. De Franse jongeman, die twee weken eerder was ontsnapt uit een psychiatrische inrichting nabij Parijs, die door le Docteur-Psychiatre daar als ‘zeer gevaarlijk’ was bestempeld, en die nu tegenover mij zat in de voorruimte van de separeercellen, voelde zich kennelijk meer aangesproken door de vorm dan door de inhoud van mijn mededeling. En hij had kennelijk ook geen last van de hardhandige arrestatie de dag ervoor, toen hij door een kwartet als een veertje gespannen agenten uit een trein was gehaald, nadat hij een conductrice met een mes had bedreigd. Mij strak aankijkend ratelde hij in zijn moedertaal aan een stuk door. Er stonden zweetdruppeltjes op zijn bovenlip. Voor de vijfde keer drukte ik de toetsen in van de telefoon, koortsachtig hopend dat de Tolkentelefoon niet langer in-gesprek zou zijn. Un moment monsieur, calmement s’il vous plait” zei ik tegen mijn ‘cliënt’. Mijn woorden klonken al heel wat minder Frans, maar dat kon mij langzamerhand even zoveel minder schelen. Weer geen verbinding. Ik vroeg mij af waar het personeel uithing en herinnerde mij de verzuchting van de verpleegkundige, dat zij zou proberen om over een half uur weer even te komen kijken. Ik toetste het nummer weer in. “Neem nou o-hop” gromde ik binnensmonds, maar het tuut-tuut-tuut weerklonk opnieuw (het leek wel steeds harder). Ik dook zwetend in mijn adressenboekje en vond een al jaren niet meer gebruikt nummer van een tolkendienst in het noorden van het land. Op hoop van zegen dan maar. “Tolkentelefoon Noord-Nederland, waarmee kan ik u van dienst zijn?” De vrouwenstem leek direct uit de hemel zelf te komen. Even later had ik een tolk Frans aan de lijn en kon ik eindelijk luisteren naar wat de inmiddels zenuwtrekkende Fransman te vertellen had en wat hij moest weten over zijn rechtspositie. Dat hij van zijn vrijheid beroofd was, maakte hem niets uit. Wél dat hij (hij sloeg met zijn vuist op tafel en vloekte met kracht en speeksel) nog steeds geen “blauwe kaart” van de Nederlandse autoriteiten had gekregen… Ik begreep er geen snars van, maar wist hem met kunst en vliegwerk tot bedaren getolkt te krijgen. De volgende dag kwam de rechtbank op bezoek. Ik zat net bij mijn cliënt toen de rechter, de griffier én een oog-ver-blin-dend mooie Franse tolk het kantoortje binnenkwamen waar de zitting werd gehouden. Cliënt luisterde met  open mond naar ‘madame l’interprète’, zoals hij steeds lispelde. Het verlengde verblijf van betrokkene was in vijftien minuten beklonken. De charmante vertaalster bewilligde in een korte nabespreking met cliënt. Die kwam meteen ter zake, verklaarde de tolk ongegeneerd de liefde en pakte haar hand. Ik sprong er onnadenkend tussen en escorteerde de geschokte tolk snel naar buiten. De ‘action héroique de monsieur avocat’ werd breed uitgemeten. Ach, dacht ik bescheiden, papa fume une pipe. Maar dat zei ik natuurlijk niet.