Net teruggekeerd van vakantie ontbrak een moment van scherpte toen ik de agenda vergeleek met mijn horloge. Zo laat al? Met een haastige groet snelde ik langs mijn verbaasde secretariaat. “Ik ben weg, naar Amersfoort, voor de zittingen in Zon & Schild” riep ik hen ter verduidelijking na. De psychiatrische instelling ‘Zon & Schild’ was de verblijfplaats van twee cliënten, die diezelfde ochtend bezoek zouden krijgen van de Rechtbank Utrecht. Ik arriveerde ruim een uur te vroeg.

 

Toen ik na telefonisch contact met mijn kantoor weer bij de tijd was gehaald, bedacht ik mij wat te doen. Het kon geen kwaad om de geestelijke alertheid wat te stimuleren. Een kop koffie was dus welkom. Bij mijn wandeling naar het restaurant passeerde ik her en der wat apathisch voor zich uit starende personen. Ik begroette iedereen met een opgewekt ‘goedemorgen’, waardoor ik in het voorbijgaan nog door een enkele lege blik werd gevolgd. De klapdeuren van het restaurant stonden gastvrij open. Aan de andere zijde van de eetruimte ontwaarde ik een potige dame, verdiept in een televisieserie. Ik kuchte. Ze draaide zich om en nam mij argwanend op. Mijn verschijning paste kennelijk niet helemaal bij het stereotype beeld van de ‘Zon & Schild’-bewoner. “Jaaa?” klonk het achterdochtig, zwaar en schor. “Ik zou graag een kopje koffie bij u bestellen, kan dat?” vroeg ik. Ze tikte theatraal op haar pols. “We zijn gesloten. Om tien uur pas”. Ik keek op mijn horloge. Het was 09.57 uur.

 

Tien minuten later was ik terug. Het leek of zich in het halletje voor de ingang nóg meer wezenloos ogende patiënten hadden verzameld. De deuren stonden nog steeds open, maar de ingang werd nu versperd door een hotelachtig touwhekwerk. Ik stelde mij erachter op, schraapte opnieuw de keel om aandacht te vragen voor mijn cafeïnebehoefte, toen ik mij een aanzwellend gezoem van zucht- en bromgeluiden gewaar werd. Achter mij had zich een groep van ongeveer twintig psychiatrische patiënten verzameld, die mijn poging om toegang te krijgen tot het etablissement met ondersteunend bedoelde geluiden kracht bijzette. De gezette horecamedewerkster draaide zich opnieuw om van het televisietoestel om haar ongezouten ongenoegen over de verstoring over te brengen. “We zijn gesloten, wegw…” Haar woorden bleven steken toen ze mij zag. Mijn kostuum maakte mij kennelijk iemand die na 10.00 uur wél serieus te nemen was, iemand die in staat was om effectief een klacht te deponeren. Ineens was ik frontsoldaat met witte boord. Het touwhek werd nors weggeschoven en links en rechts passeerden hongerige en dorstige psychiatrische patiënten mij naar het zelfbedieningsbuffet. Even later zat ik tevreden achter een kop dampende koffie. Er schuifelde een oud vrouwtje langs mijn tafel. Zonder te stoppen legde zij een voorverpakte gevulde koek naast mijn kopje. “Dankuwel” fluisterde zij. Bij de kassa vroeg een ongeveer dertigjarige vrouw om een ijsje. Met onverholen ongeduld verzuchtte de horecadame: “Waterijs of roomijs?” De vrouwelijke gast dacht diep na. “Een lékker ijsje”. Heerlijk.